Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Thessing A. (2000) Growth and final size of Willow Tit Parus montanus under different environmental conditions. ARDEA 88 (2): 215-224
De lichaamsgrootte van een individuele vogel is van groot belang voor het succes in de strijd om het bestaan. De lichaamsgrootte wordt deels door genetische factoren bepaald en deels door omgevingsfactoren, met name de opgroeicondities in het nest. In deze studie aan Matkopmezen Parus montanus in een gemengd bos in Zuidoost-Zweden werd onderzocht welke omgevingsfactoren het grootste effect hadden op de groei en de uiteindelijke grootte (na dag 15 groeit het skelet niet meer). De Matkoppen voerden hun jongen met rupsen. Het aanbod aan rupsen werd geschat uit de keutelproductie van de rupsen in een aantal geselecteerde berkenbomen. De omvang en de timing van de piek in het voedselaanbod bleek sterk te verschillen tussen de zes jaren van het onderzoek. Voor elk broedsel werd de groei van de kuikens gedurende dag 1 tot 12 gerelateerd aan het voedselaanbod, de temperatuur en de mate van overlap met de piek in het voedselaanbod. Daarnaast werd de groei ook gerelateerd aan de legselgrootte en de datum van uitkomst. Ben aantal van deze omgevingsfactoren is sterk gecorreleerd. Er was een positieve correlatie tussen de gemiddelde uitkomstdatum en de datum van de rupsenpiek. Verder was temperatuur sterk gecorreleerd met zowel de timing van de rupsenpiek als het voedselaanbod. Als een van deze omgevingsvariabelen met groei correleert dan is er dus een goede kans dat de andere omgevingsvariabelen dat ook doen. Uit een multipele regressie blijkt dat temperatuur het grootste effect heeft op de voor genetische afkomst gecorrigeerde groei en het gewicht van de volgroeide jongen. De temperatuur tijdens' de opgroeiperiode varieerde tussen 9 en 18C in de verschillende jaren. De temperatuur zou van belang kunnen zijn vanwege de directe effecten op de kosten voor thermoregulatie (in warme jaren hoeven de jongen minder energie te stoppen in warm blijven) en vanwege de effecten op het voedselaanbod. Wat het laatste betreft: in koude jaren was er geen duidelijke rupsenpiek en leden de jongen duidelijk honger met als gevolg verhoogde sterfte en een achterblijven van de groei.


[close window] [previous abstract] [next abstract]