Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Drent R.H. (1965) Breeding biology of the Pigeon Guillemot, Cepphus columba. ARDEA 53 (3-4): 99-160
1. De broedbiologie van de aan de Zwarte Zeekoet nauw verwante Cepphus columba werd gedurende de zomers van 1959 en 1960 in een ca. 110 paren tellende kolonie aan de westkust van Canada onderzocht. 2. De kolonie was alleen in de ochtenduren volledig bezet, daar de vogels zich 's middags terugtrokken in de foerageergebieden en de nacht op zee doorbrachten (uitgezonderd de individuen met eieren of kleine jongen). 3. Vastgesteld werd, dat de vogels als regel partner- en plaatstrouw waren; dit laatste zowel met betrekking tot het nest als tot het strandterritorium. 4. In een klein maar intensief waargenomen gedeelte van de kolonie bleken naast 7 broedparen 6 niet-broedende vogels aanwezig te zijn (30%), waaronder ongepaarde een- en tweejarige vogels. 5. Er wordt een voorlopige beschrijving gegeven van het voortplantingsgedrag en een vergelijking gemaakt met andere alkensoorten. 6. Er zijn aanwijzingen dat elk wijfje een voor haar karakteristieke legdatum had ten opzichte van de gemiddelde legdatum in de gehele kolonie. 7. Bet legsel bestond in de regel uit twee eieren, gelegd met een tussentijd van 3 dagen. De eieren kwamen respectievelijk 32 en 30 dagen na het leggen uit, waaruit men conc1uderen kan dat het eerste ei reeds enigszins bebroed wordt, voordat het tweede ei gelegd is. Daar bij deze in holen broedende vogels directe waarnemingen over het broeden uiterst moeilijk zijn, werden temperatuurmetingen in het nest met behulp van thermisters verricht. Bet bleek dat de vogels tot het leggen van het tweede ei alleen overdag en slechts onregelmatig broedden, terwijl op een voltallig legsel overdag regelmatig gebroed werd. Ze begonnen ook 's nachts te broeden in de eerste nacht, nadat het legsel voltallig was; in sommige gevallen echter pas in de vierde nacht daarna. 8. Toen de vogels eenmaal regelmatig broedden, werden de eieren gedurende 95% van de tijd bebroed. Zowel ? als ? broedden; 's nachts gewoonlijk ononderbroken ( 7 uur lang), terwijl zij elkaar overdag na sterk uiteenlopende tijdsduur (40 minuten tot meer dan 17 uur) aflosten. Verder kon de vogel zijn broedbeurt na langere of kortere tijd (varidrend van 10 minuten tot 10 uur) onderbreken en bijv. gaan baden of poetsen. 9. De aan de bovenkant van de eieren gemeten temperatuur (zie Fig. 17) bereikte pas na het leggen van het tweede ei een definitief niveau. In een nest werd hiervoor een gemiddelde temperatuur van 39,4 C bepaald (gemeten gedurende 51.5 uur vanaf dag 11 tot 28), ruim een graad lager dan de lichaamstemperatuur van de broedende vogels (40.6 C). 10. De jongen verlieten de nestholte na gemiddeld 35 dagen (29-39), en leidden vervolgens een onafhankelijk bestaan. 11. De jongen werden alleen bij daglicht gevoerd, met een frequentie die bepaald werd door hun voedselbehoefte. 12. Vissen (voornamelijk Xiphisteridae, Pholidae, Stechaeidae, Lumpenidae, Cottidae) vormden op zijn minst 80% van het voedsel van de jongen. De ouders vertoonden individuele voorkeur voorbepaalde vissoorten. 13. In groei vertoonde Cepphus sterke overeenkomst met andere in holen broedende, nestblijvende alken (Fratercula, Ptychoramphus), die alle opmerkelijk sneller groeien dan de op kliffen broedende soorten Uria en Alca, wier jongen vroegtijdig de kolonie verlaten. 14. Groei, duur van periode die in het nest wordt doorgebracht en eindgewicht waren gelijk voor eenlingen en jongen uit broedsels van twee. 15. Bij het verlaten van het nest hadden de jongen een lichaamsgewicht van gemiddeld 411 g (20 ex.), d.w.z. 91% van het gemiddelde voor volwassen dieren (450 g; 53 ex.). 16. Alhoewel de jongen reeds op de dag van uitkomen op een verlaging van de luchttemperatuur van de omgeving met een verhoogde warmteproductie reageerden, konden zij pas bij een leeftijd van ongeveer een dag hun lichaamstemperatuur behoorlijk constant houden. Deze frappante verbetering in de temperatuurregulatie gedurende hun eerste levensdag ging gepaard met een sterke stijging van hun basaal metabolisme, dat van aanvankelijk ca. 50% toenam tot ca. 100% van de waarde die men empirisch voor volwassen vogels van dat lichaamsgewicht zou verwachten (Brody-Proctor).


[close window] [previous abstract] [next abstract]