Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Perdeck A.C. & Speek G. (1984) A radar study on the influence of expected ground speed, cloudiness and temperature on diurnal migration intensity. ARDEA 72 (2): 189-198
De herfsttrek van overdag trekkende vogels, met name de Vink, is in het verleden uitvoerig onderzocht door de huidige Afdeling Vogeltrekstation van het Instituut voor Oecologisch Onderzoek. De voorjaarstrek is nauwelijks aan bod gekomen, vooral vanwege de minder geconcentreerde trek, de kortere trekperiode en de kleinere aantallen vogels. De invoering van het radarapparaat als instrument ter bestudering van de vogeltrek maakte het mogelijk ook het voorjaar in het onderzoek te betrekken, en tevens de hoogte, richting en snelheid van de trek zeer exact te meten. Het instituut schafte een voor dit doel geschikt gemaakte scheepsradar aan met een bereik van 2,5 km. Door dit bereik is het mogelijk radarwaarnemingen te gebruiken voor een schatting van de sterkte van de trek. De breedfronttrek in de ochtend werd gedurende 8 voorjaren (maart) en 7 najaren (oktober) bij Arnhem met dit apparaat waargenomen en fotografisch vastgelegd. Dit artikel handelt over het verband tussen de treksterkte en een aantal weersfactoren en vergelijkt de seizoenen wat dit betreft. Een belangrijke conclusie uit de veldwaarnemingen was dat er meer vogels trekken bij wind in de voorkeursrichting dan bij andere winden. Het is duidelijk dat op deze manier met weinig inspanning een grote afstand afgelegd kan worden (wind in de rug). Behalve de windrichting is hier natuurlijk ook de windkracht in het geding. Het gaat dus om de windcomponent (x, zie Fig. I) van de 'track' (T), dat is de vector die aangeeft met welke' snelheid de vogel ten opzichte van het aardoppervlak beweegt (grondsnelheid) en in welke richting hij zich verplaatst. Deze grondsnelheid hangt ook af van de eigen snelheid van de vogel ten opzichte van de hem omringende lucht (luchtsnelheid) en de richting waarin hij zijn kop steek! (zijwindcompensatie). Deze eigen vector of 'heading' (H) levert een bijdrage y aan de grondsnelheid. Ais er geen wind is geldt H = T en kan men dus de luchtsnelheid bepalen uit de waargenomen snelheid van de vogel. Op het radarscherm verschijnen vogels of groepen van vogels als vlekjes, die blijven nagloeien. Wanneer dezelfde vogel(groep) ook bij een of meer hierop volgende omwentelingen van de radarantenne geraakt worden, ontstaat een rij vlekjes ('repeat echoes'), waaruit richting en snelheid bepaald kunnen worden. Op windstille dagen was de snelheid gemiddeld 16 m/sec en de gemiddelde richting 55 (NO t 0) in het voorjaar, 225 (ZW) in het najaar. Deze waarnemingen geven dus een schatting van de luchtsnelheid en de voorkeursrichting. Windrichting en windkracht konden nauwkeurig bepaald worden met behulp van ballonnen die werden losgelaten en op het radarscherm gevolgd werden. Onder aanname dat de vogels verdrifting door zijwind kunnen compenseren (er werd slechts waargenomen bij matige windsnelheden) kan men, bij een bepaalde wind (W) en de luchtsnelheid (H) van 16 m/sec, de te verwachten grondsnelheid (T) in de voorkeursrichting berekenen (Fig. 1). Deze snelheid geeft dan aan het profijt dat de vogel kan hebben van een wind van bepaalde sterkte en richting. Het is daarom bruikbaar als de factor wind in de vergelijking met de treksterkte. Omdat de luchtsnelheid van vogel tot vogel kan verschillen (we kennen de soort niet) moet deze factor wind hiervoor gecorrigeerd worden (door T te delen door W). Uit Zwitserse radarwaarnemingen is gebleken dat de luchtsnelheid van een vogel afhangt van de wind. Bij harde tegenwind wordt de luchtsnelheid wat groter, bij harde meewind wat kleiner. Dit kon in ons materiaal onderzocht worden met behulp van de 'repeat echoes'. Bij bekende T en W kan H berekend worden en het verband van H met de windcomponent in de trekrichting (x) kan dan bepaald worden. Er bleek inderdaad een verband als bovengenoemd te bestaan (zie Fig. 1). Ook hiervoor werd de te verwachten grondsnelheid gecorrigeerd. Naast deze windfactor werden nog twee andere weersfactoren in de analyse opgenomen, de mate van bewolking en de temperatuur. Uit oridntatieproeven en veldwaarnemingen is gebleken dat bij zware bewolking de vogels zich vaak minder goed kunnen oridnteren, vermoedelijk omdat de zon als oridntatiemiddel wegvalt. Aan de temperatuur wordt vaak een stimulerende invloed toegeschreven (resp. hoge temperatuur in het voorjaar, lage temperatuur in het najaar). De treksterkte, die met de genoemde weersfactoren in verband wordt gebracht, kon worden bepaald uit het aantal stipjes (echoes) op het radarscherm per tijdseenheid per dag. Elke waarnemingsdag kan nu gekarakteriseerd worden wat betreft treksterkte, te verwachten grondsnelheid, bewolking en temperatuur (134 dagen in het voorjaar, 140 in de herfst). He! verband tussen de treksterkte en de weersfactoren werd onderzocht met een zgn. verdelingsvrije statistische procedure die het mogelijk maakt de invloed van een bepaalde factor afzonderlijk maar ook van al de mogelijke combinaties van factoren te analyseren, en tevens voor- en najaar te vergelijken voor wat betreft deze verbanden. De resultaten zijn als volgt: 1. Er is een positieve invloed van de wind op de treksterkte in die zin dat er meer trek is naarmate de te verwachten grondsnelheid hoger is. Dit geldt voor beide seizoenen en is geheel in overeenstemming met wat men op grond van de veldwaarnemingen zou verwachten. Vogels gebruiken dus zowel in voor- als najaar dagen met gunstige winden om te trekken. 2. Hoe meer bewolking er is, hoe minder trek, zowel in voor- als in najaar. De verklaring moet wei zijn dat vogels bij voorkeur trekken op dagen dat de zon als oridntatiemiddel beschikbaar is, om misvliegen te voorkomen. 3. Bij hoge temperaturen wordt in het voorjaar meer getrokken dan bij lage. Dit is in overeenstemming met de literatuur. De betekenis is vermoedelijk dat de temperatuur boven ons land een aanwijzing geeft voor de temperatuur in het broedgebied. De vogels worden dus weerhouden daar aan te komen als het nog te koud is en de voedselvoorraad onvoldoende is om tot succesvol broeden te komen. 4. In het najaar heeft de temperatuur geen invloed op de treksterkte. Dit lijkt in tegenstelling te zijn met het algemeen verbreide idee dat vogels dan door een lage temperaturen tot trekken worden aangezet. Nu vallen koude perioden in het najaar vaak samen met NO winden (anticyclonisch weertype). De analyse geeft aan dat het in dit geval de hoge te verwachten grondsnelheid is die het trekken stimuleert. De gebruikte analysemethode maakt het mogelijk de afzonderlijke invloed van zulke samenhangende factoren te ontrafelen. Dit resultaat wordt bevestigd door waarnemingen in het Baltische gebied: ook hier heeft de temperatuur een duidelijke invloed op de treksterkte in het voorjaar maar niet of nauwelijks in het najaar. Samenvattend kan gezegd worden dat de radarwaarnemingen een duidelijke bevestiging hebben gegeven van de belangrijkste resultaten van de veldwaarnemingen en dat zij deze hebben uitgebreid tot het voorjaar.


[close window] [previous abstract] [next abstract]