Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Snow D.W. (1955) Geographical variation of the Coal Tit, Parus ater L. ARDEA 43 (4): 195-226
De auteur, die de Paridae bewerkt voor de 'Checklist of birds of the world' geeft in rut artikel de motivering van de door hem gevolgde indeling bij de Zwarte Mees. Gewezen wordt op het feit, dat de soort in verschillende streken verschillende biotopen kan bewonen. De gemiddelde vleugellengte van de populaties vertoont behoorlijke verschillen. Beschouwt men de populaties bezuiden 40 NB tussen 40-50 NB en benoorden 50 NB afzonderlijk, dan bestaat er een zekere correlatie tussen vleugellengte (als maat voor de grootte) en wintertemperatuur (grotere vleugellengte in koudere streken, regel van Bergmann). Daartegenover echter hebben populaties uit zuidelijker streken de tendens tot grotere vleugellengte vergeleken met populaties uit noordelijker streken met een overeenkomstige wintertemperatuur. Vogels, die in koudere streken leven hebben relatief langere staarten dan vogels uit mildere streken. Snavel en poten vertonen de tegenovergestelde tendens (regel van Allen). In het aaneengesloten noordelijke verspreidingsgebied verandert de kleur geleidelijk van west naar oost gaande. De rugkleur is bleek en grijs in de koudste gebieden en wordt meer olijfkleurig in warmere streken. Er is hier een samenhang met het klimaat (regel van Gloger). In de meer gensoleerde zuidelijke populaties is een invloed van klimatologische omstandigheden met aan te tonen. Tenslotte volgt een opsomming van de, door de auteur erkende, geografische rassen. Beschreven vormen, die, volgens de auteur te kleine verschillen vertonen met reeds bestaande rassen, worden als synoniemen gegeven.


[close window] [previous abstract] [next abstract]