Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Green M. (2004) Flying with the wind spring migration of Arctic-breeding waders and geese over South Sweden. ARDEA 92 (2): 145-159
De voorjaarstrek van broedvogels uit het noordpoolgebied,vooral steltlopers en Zwartbuikrotganzen Branta bernicla, werd in de jaren 1998-2001 in Lund, Zuid-Zweden, met behulp van een volgradar geanalyseerd. Het was de bedoeling om na te gaan of deze voorjaarstrekkers het vermogen hadden om de meest gunstige windrichtingen te benutten. In totaal werden 888 radartracks verzameld. In dit artikel worden de vliegsnelheden, de vlieghoogtes en de heersende winden beschreven op basis van de verzamelde metingen, waarna de resultaten worden vergeleken met die van soortgelijke studies van arctische steltlopers elders op de wereld. De gemeten grondsnelheden waren over het algemeen groot, waaruit blijkt dat gebruik werd gemaakt van staartwinden. De gemiddelde bijdrage van staartwinden op de vliegsnelheden bedroeg ongeveer 8.3 m s-1. Niet minder dan 95% van de gevolgde troepen vogels vloog met wind in de rug. De vlieghoogtes wisselden van 100m tot 3745m boven de grond. Hoogvliegende vogels profiteerden gemiddeld van krachtigere staartwinden dan laag doortrekkende groepen. De gegevens laten zien dat de vogels selectief waren bij de keuze van het precieze tijdstip van doortrek en dat de heersende windrichting daarbij van doorslaggevende betekenis was. Ze kozen niet alleen de juiste dag, maar vermoedelijk ook de precieze vlieghoogte op basis van de heersende wind en profiteerden als gevolg daarvan van krachtige staartwinden. In veel gevallen profiteerden steltlopers van windsnelheden die hun eigen vliegsnelheid overtroffen.


[close window] [previous abstract] [next abstract]