Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Wolff W.J. (1969) Distribution of non-breeding waders in an estuarine area in relation to the distribution of their food organisms. ARDEA 57 (1-2): 1-28
1. Een algemeen overzicht wordt gegeven van de verspreiding van de in en op slikken en zandbanken van het Deltagebied levende waddieren. 2. Het is mogelijk naar aanleiding van de voorkomende waddieren het Deltagebied in te delen in (1) een gedxponeerd stranddistrict, (2) een marien district, (3) een marien overgangsgebied, (4) een brak district, (5) een zoetwater- overgangsgebied en (6) een zoetwatergetijdengebied. Elk district wordt gekenmerkt door het voorkomen van een bepaalde karakteristieke soortencombinatie. 3. Van acht soorten steltlopers kan de verspreiding worden gecorreleerd met die van een of meer van hun voornaamste soorten prooidieren. Voor enkele andere soorten kan een verband worden gelegd tussen hun verspreiding en een andere milieufactor, zoals de mate van golfslag, de aard van de bodem en de beschikbaarheid van dekking. Het is mogelijk om de in het Deltagebied voorkomende soorten in te delen in zes groepen, elk met een eigen karakteristieke verspreiding. 4. Groep A omvat de Paarse en de Drieteenstrandloper, die alleen werden waargenomen in district 1, dat is de aan golfslag gedxponeerde kust langs de Noordzee. Hun voorkomen hier hangt waarschijnlijk samen met de grotere mate van golfslag in dit gebied. 5. Groep B bestaat uit Scholekster, Kanoetstrandloper en Steenloper, die alleen te vinden zijn in district 2, dus in gebieden waar het gemiddelde zoutgehalte boven 13 Cl' ligt. Het voorkomen van deze soorten uitsluitend in dit gebied schijnt te zijn gecorreleerd, althans wat de eerste twee soorten betreft, met het uitsluitend in dit district voorkomen van enkele van hun voornaamste prooidieren, de Kokkel en het Wadslakje. 6. Groep C omvat Wulp, Rosse Grutto, Bonte Strandloper, Zilverplevier en Bontbekplevier. Deze soorten komen speciaal voor in de districten 2, 3 en 4, dus in gebieden met een zoutgehalte boven 1 Cl'. Ook dit verspreidingspatroon lijkt in verband te staan met de verspreiding van prooidieren en wel speciaal met die van de Zeeduizendpoot Nereis diversicolor, het Nonnetje Macoma balthica en de Strandkrab Carcinus mamas. 7. Groep D bestaat uit alleen de Kluut die hoofdzakelijk te vinden is in district 4, bestaande uit brakke gebieden met zoutgehalten tussen 1 en 10 Cl'. Onder speciale omstandigheden (modderige gebieden) komt de Kluut ook bij hogere zoutgehalten voor. 8. Groep E omvat de Watersnip, de Kemphaan, de Kievit en de Grutto die alleen worden aangetroffen in de districten 4, 5 en 6, waar het zoutgehalte beneden 10 Cl' blijft. De verspreiding van de Watersnip kan worden gecorreleerd met de beschikbaarheid van dekking in dit gebied; voor die van de andere soorten is geen verklaring beschikbaar. 9. Groep F wordt gevormd door Groenpootruiter, Tureluur, Zwarte Ruiter en Oeverloper, die in alle bovengenoemde districten voorkomen. Dit kan in verband worden gebracht met het feit, dat het type voedsel dat door deze soorten wordt genomen, in alle districten beschikbaar is.


[close window] [previous abstract] [next abstract]