Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Altenburg W. & Van Spanje T. (1989) Utilization of mangroves by birds in Guinea-Bissau. ARDEA 77 (1): 57-74
Mangroven beslaan wereldwijd ten minste 14 miljoen hectare. Helaas is over het belang ervan voor vogels nog maar weinig bekend. Dat geldt zeker voor Afrikaanse mangrovegebieden. Tijdens een expeditie naar Guinee-Bissau aan de Afrikaanse westkust (december 1986 - februari 1987) zijn een groot aantal vogelwaarnemingen in mangroven gedaan. Een aanzienlijk deel van de in Appendix 1 genoemde 125 soorten betrof min of meer "toevallige" bezoekers, die maar een of enkele keren zijn waargenomen en veel talrijker zijn in aangrenzende rijstvelden, savanne en bossen. Naast een aantal wad- en watervogels die de mangrove vooral gebruiken om er te overtijen, is slechts een klein aantal soorten heel frequent op (vrijwel) alle bezochte plaatsen aangetroffen (Tabel 1, Fig. 3). Mistnetvangsten (Tabel 2) en gedetailleerde tellingen (Tabel 3) bevestigen dit beeld. De soortensamenstelling vertoont grote overeenkomsten met die in mangroven elders in de tropen, in het bijzonder in Gambia en Sirra Leone, beide ook aan de Afrikaanse westkust (Tabel 4). Dit is ongetwijfeld een direct gevolg van het voedselaanbod in het relatief extreme mangrovehabitat, dat goeddeels beperkt is tot insecten, vis, modderkruipers (Periophtalmus papilio) en krabben (vooral de wenkkrab Uca tangeri). Insecteneters (met name zangers, klauwieren, vliegenvangers en honingzuigers), viseters (met name reigerachtigen en deels de ijsvogels) en krabeters (met name Oeverloper en Regenwulp) vormen het leeuwendeel van de waargenomen soorten, de overtijers uitgezonderd. Ook bij de meest talrijke soorten (Tabel 1) gaat het vrijwel uitsluitend om deze groepen. Op grond van de tellingen zijn schattingen gemaakt van de dichtheden van de verschillende soorten (Tabel 3). Wanneer deze dichtheden representatief zijn voor het gehele mangrovegebied van Guinee-Bissau, gaat het om ten minste 10.000-en exemplaren bij de in Tabel 1 genoemde meest algemene soorten. Bij de palearctische zangers Fitis, Kleine Karekiet en Orpheusspotvogel zou het dan om ten minste een half miljoen vogels gaan. Mangroven zijn van groot belang voor de productiviteit van wadden en ondiepe kustwateren en dus voor vogelsoorten die afhankelijk zijn van voedsel uit deze gebieden (vooral steltlopers, reigerachtigen, sterns en Visarend). Deze groepen komen in grote aantallen voor in het kustgebied van Guinee-Bissau en waarschijnlijk langs een groot deel van de mangrovekust van Senegal - Sirra Leone. Voor steltlopers, Lachstem en Visarend betreft het hier internationaal gezien belangrijke aantallen. Verder heeft het mangrovegebied een belangrijke functie als relatief veilige overtijingsplaats voor 100.000-en steltlopers en als resp. broed-, slaap- en overtijingsplaats voor belangrijke aantallen grote waadvogels (reigers, aalscholvers, lepelaars, ibissen). Veel van de genoemde soorten en groepen vinden buiten de mangroven hun voedsel. In de mangroven zelf komt maar een zeer beperkt aantal soorten in belangrijke aantallen voor. De afrotropische soorten uit Tabel 1 zijn voor zover bekend algemeen in grote delen van West-Afrika. Alleen de Bruine Honingzuiger Anthreptes gabonicus is beperkt tot de mangrovezone van Gambia tot Zare. Voor een aantal palearctische trekvogels zijn de West-Afrikaanse mangroven waarschijnlijk van groot belang als overwinteringgebied, met name voor Regenwulp, Kleine Karekiet en Orpheusspotvogel. Eerstgenoemde soort overwintert kennelijk in veel grotere aantallen in de mangroven dan op het wad. De beide zangvogels overwinteren in grote aantallen in de mangroven. Dit is misschien de belangrijkste reden dat ze niet, zoals zovele andere Saheloverwinteraars onder de zangvogels, sterk zijn achteruitgegaan in de West-Europese broedgebieden.


[close window] [previous abstract] [next abstract]