Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Moreno J. (1989) Energetic constraints on uniparental incubation in the Wheatear Oenanthe oenanthe. ARDEA 77 (1): 107-115
Dit artikel beschrijft een onderzoek aan het broedgedrag van de Tapuit, dat werd verricht gedurende een periode van 3 jaar op het eiland land in het zuiden van Zweden. In deze populatie broeden de vrouwtjes zonder enige hulp van de mannetjes. Normaal brengen wijfjes bij redelijke hoge omgevingstemperaturen veel tijd op het nest door. Bij lagere temperaturen besteden de dieren relatief veel tijd buiten het nest. Dat blijkt zowel bij vergelijking van waarnemeningen binnen seizoenen, alsook bij vergelijking tussen seizoenen. Een van de gevolgen hiervan is dat de totale broedduur toeneemt in koude seizoenen. Tussen het koudste en het zachtste seizoen bleek maar liefst een verschil van 2,5 dagen in de gemiddelde broedduur te bestaan. Het ligt dan voor de hand om te veronderstellen, dat de aandacht die het vrouwtje aan het nest kan besteden beperkt wordt door haar eigen behoefte aan voedsel. Om deze hypothese te toetsen, werd in 13, willekeurig gekozen, territoria extra voedsel in de vorm van meelwormen, aangeboden op een voedertafel. In 2 territoria waarin zowel mannetje als vrouwtje gebruik maakten van het aangeboden voedsel, werd dagelijks 9 g meelwormen aangeboden; in 5 territoria waarin mannetje en vrouwtje beide op de voertafel kwamen 14 g; en in 2 territoria waarin mannetje en vrouwtje op de voedertafel kwamen 18 g. In de gevallen dat mannetje en vrouwtje gebruik maakten van de meelwormen werd aangenomen dat beide individuen een even groot aandeel kregen, dus van 2 vrouwtjes werd verondersteld dat ze 4,5 g kregen, van 9 vrouwtjes 7 g, en van 2 vrouwtjes 9 g. De vrouwtjes die extra voedsel kregen werden waargenomen tijdens de aanwezigheid van dat voedsel, maar ook nadat het voedsel verdwenen was. Hun foerageerpauzes tussen het broeden waren duidelijk korter dan die van vrouwtjes die geen extra voedsel kregen, maar de gemiddelde duur van ononderbroken broeden verschilde niet van die van de controle- vrouwtjes. Dat effect was vooral duidelijk als het extra voedsel nog niet volledig benut was. Een positief verband tussen de tijd doorgebracht op het nest en de hoeveelheid extra voedsel was er alleen in het koudste jaar. In dat jaar bestond er bovendien een negatief verband tussen duur van ononderbroken broeden en hoeveelheid extra voedsel. Bijvoeren had echter geen merkbaar effect op het uitkomstpercentage van de eieren. Toch mag worden geconcludeerd dat de voedselbehoefte van het vrouwtje beperkingen oplegt aan de wijze waarop zij haar eieren kan bebroeden.


[close window] [previous abstract] [next abstract]