Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Piersma T., Klaassen M., Bruggemann, J.H. Blomert A.M., Gueye A., Ntiamoa B.Y. & Van Brederode N.E. (1990) Seasonal timing of the spring departure of waders from the Banc d'Arguin Mauritania. ARDEA 78 (1-2): 123-134
Hoe noordelijker steltlopers broeden, des te later in het jaar ze beginnen aan de eileg. Dit zou het hun mogelijk kunnen maken om ook later van de overwinteringgebieden te vertrekken. Deze veronderstelling toetsten wij aan de hand van onze waarnemingen aan de wegtrek van steltlopers van uit de Baie d'Aouatifop de Banc d'Arguin in MauritaniŽ, gedaan in de voorjaren van 1985, 1986 en 1988. We bekeken 13 steltlopersoorten. Omdat steltlopers vanaf de Banc d'Arguin vrijwel alleen laat in de middag vertrekken werden de wegtrektellingen verricht tijdens standaard waarnemingsperioden in de namiddag, van 17 uur tot 19.30 uur. Om uit te vogelen of de heersende windomstandigheden de sterkte van de wegtrek beÔnvloeden, verzamelden we tegelijkertijd met de wegtrekwaarnemingen ook gegevens over de windsnelheid en windrichting op grondniveau (in alle voorjaren), en de windsnelheden en -richtingen op hoogtes tot 5 km of meer (alleen in 1988). In totaal observeerden we 31.000 steltlopers bij het vertrek naar het hoge noorden. De soorten die in de grootste aantallen op de Banc d' Arguin overwinterden, zagen we in de grootste aantallen vertrekken. Wegtrekkende groepen Tureluurs en Bonte Strandlopers zagen we gedurende een lange periode; zij vertoonden beide een vroege en een late wegtrekpiek. Bij de andere soorten duurde de wegtrekperiode korter (een tot enkele weken) en was er steeds maar een wegtrekpiek te zien. De soortgemiddelde wegtrekdatum vanaf de Banc d' Arguin bleek positief gecorreleerd te zijn met het geschatte middelpunt (in breedtegraden) van het broedareaal, waarbij de vertraging in de timing van de wegtrek (ca. 2 dagen/graad) vergelijkbaar was met de gemiddelde vertraging bij de start van het broeden. De 'hoeveelheid' rugwind op grondniveau bleek slechts bij een van de 14 soorten significant en positief gecorreleerd te zijn met de dagelijkse wegtrekintensiteit, bij de andere was er geen significant (p < 5%) verschil met de toevalsverwachting. Omdat de winden op grondniveau niet correleren met de winden op de hoogtes waarvan we aannemen dat steltlopers ze tijdens de trek naar het noorden gebruiken, is het ontbreken van correlaties tussen wind en wegtrek misschien ook niet zo verwonderlijk. We veronderstellen dat de timing van de wegtrek door steltlopers uit West-Afrika voor een groot deel gestuurd wordt door inwendige factoren, en dat de dagelijks variŽrende lokale wind- en weersomstandigheden er in dit geval nauwelijks toe doen.


[close window] [previous abstract] [next abstract]