Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Piersma T. & Jukema J. (1990) Budgeting the flight of a long-distance migrant changes in nutrient reserve levels of Bar-tailed Godwits at successive spring staging sites. ARDEA 78 (1-2): 315-338
De voorjaarstrek van Rosse Grutto's van hun overwinteringgebied op de Banc d'Arguin in MauritaniŽ naar de Nederlandse Waddenzee wordt beschreven aan de hand van wegtrekwaarnemingen en vangstgegevens verzameld op de Banc d' Arguin, en vangst- en telresultaten uit de Paesenserpolder aan de Friese Waddenzee kust. Het laatste gebied wordt door de Rosse Grutto's als pleisterplaats gebruikt voordat ze vertrekken naar hun Siberische broedgebieden. We gaan er van uit dat we in beide gebieden met dezelfde populatie te maken hebben. Hiervoor zijn drie redenen: 1) de biometrie van de vogels op beide plekken komt sterk overeen; 2) twee op de Banc d'Arguin gekleurmerkte Rosse Grutto's werden enkele weken later in de Paesenserpolder teruggezien; 3) de timing van vertrek van de Banc d'Arguin en aankomst in de Paesenserpolder sluit zo mooi op elkaar aan. Op de Banc d'Arguin beginnen de vogels in de eerste helft van maart met opvetten. De mannetjes nemen dan tot hun vertrek naar het noorden (rond 26 april) met ongeveer 2,8 g/dag in gewicht toe, de -wat grotere- vrouwtjes met 3,2 g/dag. Bij Paesens neemt hun gewicht tussen aankomst (29 april) en vertrek (31 mei) toe met 5,6 g/dag voor mannetjes en 7,5 g/dag voor vrouwtjes. Deze gewichtstoenames bestaan voor de helft uit vet (droog en energierijk) en voor de andere helft voornamelijk uit (spier-)eiwit. Aangezien we zowel het wegtrekgewicht van de Banc d'Arguin als het aankomstgewicht in de Waddenzee aardig kunnen schatten, hebben we geprobeerd een energiebudget op te stellen voor de non-stop vlucht van 4.300 km (langs de kortste afstand: de zgn. grootcirkelroute) van de Banc d'Arguin naar de Waddenzee. We nemen daarbij aan dat de Rosse Grutto's in staat zijn steeds die hoogtes te vinden waar zich de meest gunstige (rug) winden bevinden, tot op 5,5 km hoogte. Tijdens de trekperiode profiteren ze dan gemiddeld van een wind van 18 km/uur in de rug. Dat scheelt nogal op een eigen vliegsnelheid van 57 km/uur. Met een gemiddelde snelheid ten opzichte van de grond van 57 + 18 = 75 km/uur hebben de dieren 57,3 uur nodig om 4300 km af te leggen. Tijdens deze vlucht verliezen ze naar schatting zo'n 136 g (mannetjes) of 178 g (vrouwen) lichaamsgewicht, dat (weer) voor de helft uit vet bestaat. Dit gegeven wijst erop dat de trekvogels tijdens zulke meerdaagse vluchten in feite in een toestand van hevige verhongering komen. Er bestaat altijd een minimum eiwitbehoefte voor het onderhoud van organen en weefsels. Bij verhongerende dieren wordt daar aan voldaan door spieren en organen af te breken. We schatten de energieverliezen tijdens de trek op 3163 kJ (mannetjes) en 3857 kJ (vrouwtjes). Gedeeld door 57,3 uur komen we uit op een schatting van de vliegkosten voor mannetjes van 55 kJ/uur, en voor vrouwtjes van 67 kJ/uur. Dat is laag vergeleken met de vliegkostenschattingen aan de hand van literatuurgegevens. Dat betekent dat als de Rosse grutto's niet van de gunstige winden in de hogere luchtlagen gebruik zouden maken, ze meer uren in de lucht zijn. Dan wordt de schatting voor de vliegkosten onwaarschijnlijk laag. Dit houdt in dat de Rosse Grutto's er alleen in slagen om non-stop van de Banc d'Arguin naar de Waddenzee te vliegen door van deze rugwinden gebruik te maken.


[close window] [previous abstract] [next abstract]