Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Burgers J., Smit J.J. & Van der Voet H. (1991) Origins and systematics of 2 types of the Bean Goose Anser fabalis (Latham, 1787) wintering in The Netherlands. ARDEA 79 (2): 307-315
Van 1954 tot 1986 werden in Nederland 13.064 Rietganzen geringd, waarvan er bij 12.176 een onderscheid werd gemaakt tussen twee typen op grond van de vorm en de structuur van de snavel en kop (Fig. 1). Het kleurpatroon van de snavel van 7.347 adulten werd ingedeeld in vier klassen (Fig. 2). Van 1988 ganzen werd het gewicht, de vleugellengte en de snavellengte bepaald. Met behulp van statistische technieken kon worden waarschijnlijk gemaakt dat de verdelingen van gewichten en lichaamsmaten niet uit een populatie afkomstig zijn (Tabel 1), dat de twee op grond van snavel en kop onderscheiden typen ook duidelijke verschillen vertonen in gewicht en lichaamsmaten (Fig. 3), en, omgekeerd, dat op grond van gewicht en/of lichaamsmaten het type met tamelijk grote zekerheid voorspeld kan worden (Tabel 2). Hieruit kan worden geconcludeerd dat er twee ondersoorten bestaan. Deze conclusie wordt versterkt door grote verschillen tussen de plaatsen waar geringde ganzen van de twee typen werden teruggemeld (Fig. 4 & 5), met name tijdens het broedseizoen (Fig. 6). In Nederland blijken nu Rietganzen te overwinteren uit ten minste drie verschillende gebieden: ondersoort rossicus van de toendra's ten westen van de Oeral, en ondersoort fabalis uit ScandinaviŽ en Finland en uit het gebied ten oosten van de Oeral (tijdens strenge winters), dat tot dusverre werd beschouwd als het broedgebied van de ondersoort johanseni.


[close window] [previous abstract] [next abstract]