Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Adriaensen F., Ulenaers P. & Dhondt A.A. (1993) Ringing recoveries and the increase in numbers of European Great Crested Grebes Podiceps cristatus. ARDEA 81 (2): 59-70
We analyseerden 221 hervangstgegevens van in Europa geringde futen. Gezien meer dan de helft van deze futen in Nederland geringd werd (Tabel 1), hebben we speciale aandacht besteed aan de Nederlandse gegevens. Uit de analyses blijkt dat futen uit Finland, Zweden en Noorwegen in zuidoostelijke richting trekken en overwegend overwinteren in zuidoost Europa (Kaspische Zee, Zwarte Zee, Bulgarije, ItaliŽ) (Fig. 3 en 6), sommigen overwinteren echter ook dichter bij het broedgebied o.a. in Polen en op ijsvrije delen van de Baltische zee en de Wadden zee (bij gelegenheid ook in Nederland). Futen uit NW - Europa (Nederland, BelgiŽ, Duitsland en Denemarken) die zuidoost trekken overwinteren op de grote meren in centraal Europa (voornamelijk in Zwitserland, Oostenrijk en Frankrijk; zie Fig. 2, 3 en 4). Een andere groep NW-Europese futen trekt zuidwest (Fig. 6) en overwintert langs de Noordzee en in het Kanaal: langs de Nederlandse, Belgische en Franse kust, op de Nederlandse plassen, en in zuidwest Engeland. Voor zover de hervangstgegevens hierover enige uitspraak toelaten - enkele relevante hervangstgegevens zijn samengebracht in Tabel 2 - lijkt het erop dat er in Nederland hoofdzakelijk trek van futen is tussen eind oktober en november en in april (Fig. 5). In Finland en Zweden wordt er in de herfst al trek waargenomen vanaf augustus en in het voorjaar tot in mei. Het gedeelte van de Nederlandse futen dat niet wegtrekt, maar overwintert in het broedgebied of op grote plassen niet zover daar vandaan (Fig. 4), is sterk toegenomen over de laatste drie decennia (Tabel 3). Uit de literatuur blijkt bovendien dat sinds het einde van de jaren zestig niet alleen het percentage in Nederland overwinterende futen is toegenomen, maar ook het absolute aantal futen dat tijdens de mi, in de winter en tijdens het broedseizoen in Nederland geteld wordt (Fig. 1, 7). Over dezelfde periode is het absolute aantal overwinterende futen in Zwitserland sterk afgenomen (Fig. 7). De toename van het aantal plaatselijk overwinterende vogels zou ook gedeeltelijk verantwoordelijk kunnen zijn voor de toename van het aantal broedende futen in Nederland, en elders (Fig. 1). Alhoewel er zeker niet voldoende gegevens voorhanden zijn om sluitende conclusies te trekken, suggereren de resultaten dat de toename van het percentage in Nederland overwinterende futen het gevolg zou kunnen zijn van veranderingen in de genetische samenstelling (migrant/ resident) van de Nederlandse broedpopulatie. De veronderstelde evolutionaire verandering is mogelijk het gevolg van een sterke uitbreiding van de oppervlakte aan geschikte overwinteringplassen, door allerhande grootschalige waterbouwkundige werken (o.a. Deltawerken), gepaard gaande met sterke selectieve voordelen voor plaatselijk overwinterende individuen.


[close window] [previous abstract] [next abstract]