Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Arbeiter S., Flinks H., Grünwald J. & Tanneberger F. (2020) Diet of Corncrakes Crex crex and prey availability in relation to meadow management.. ARDEA 108 (1): 6-6
Door de intensivering van het landgebruik zijn veel graslandvogels in aantal afgenomen. Kwartelkoningen Crex crex broeden in agrarische graslandgebieden. Daar worden zij voornamelijk bedreigd door nestverlies tijdens het maaien. Hun voorkomen kan echter ook worden beïnvloed door veranderingen in hun leefgebied en de beschikbaarheid van hun voedsel. Om de voedselsamenstelling van Kwartelkoningen in uiterwaarden in het noordoosten van Duitsland te bepalen, hebben wij de uitwerpselen van de soort daar geanalyseerd en de resultaten ervan gerelateerd aan het voorkomen van de op de grond levende ongewervelde dieren. De laatste werden bemonsterd met behulp van bodemvallen. Aantallen en soortensamenstelling werden gerelateerd aan het beheer ter plekke. De meest voorkomende voedselbronnen waren volwassen kevers (43%). Een derde daarvan betrof loopkevers. Daarna volgden slakken, keverlarven, spinnen en regenwormen. De prooilengte was gemiddeld 11,2 ± 9,8 mm (±SD). Slakken en grote kevers (>10 mm) werden vaker gegeten dan verwacht op basis van hun beschikbaarheid ter plekke. Ongewervelde dieren waren het talrijkst in juni. Daarna namen de aantallen af. De totale biomassa, de soortenrijkdom en met name het aantal grote kevers waren op locaties zonder actief beheer aanzienlijk hoger dan op locaties waar in het voorafgaande jaar actief beheer had plaatsgevonden. Ongewervelde dieren waren het talrijkst in de twee jaren nadat een actief beheer was beëindigd. Daarna namen de aantallen weer sterk af en bereikten een vergelijkbaar niveau als onder een jaarlijks actief beheer. Onze resultaten wijzen erop dat een rotatieschema voor maaien met tussenpozen van twee of drie jaar het meest gunstig lijken te zijn voor de rijkdom aan ongewervelde dieren. Onder voedselrijke omstandigheden ondergaan graslanden in uiterwaarden een snelle successie en verslechtert de kwaliteit van het leefgebied van Kwartelkoningen al in het eerste jaar nadat het actieve beheer wordt stopgezet. Maatregelen ter bescherming van Kwartelkoningen, zoals de aanwezigheid van ongemaaide opvanggebieden en uitgestelde maaidata, kunnen ook de negatieve effecten van het jaarlijkse maaien op ongewervelde dieren in graslanden verzachten en de potentiële voedselbeschikbaarheid voor Kwartelkoningen in uiterwaarden vergroten.


[close window] [previous abstract] [next abstract]