Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Brotons L. (1997) Changes in foraging behaviour of the Coal Tit Parus ater due to snow cover. ARDEA 85 (2): 249-257
Kleine vogels, zoals de Zwarte Mezen (Parus ater) die in de montane naaldwouden van de PyreneeŽn leven, moeten in de winter continu foerageren om te overleven. Ze hebben het waarschijnlijk extra moeilijk als de takken van de naaldbomen door sneeuw bedekt zijn. In deze studie werd in detail vastgelegd welke delen van de boom door de vogels gebruikt werden en welke foerageertechniek ze gebruikten, bij (1) aanwezigheid van sneeuw, en (2) bij afwezigheid van sneeuw op de takken. Van december tot april is de bodem van het bos bedekt met sneeuw. Dagen met meer dan 10 cm sneeuwval komen meestal 5 tot 6 keer per jaar voor. Afhankelijk van wind en temperatuur blijft de sneeuw 3 tot 4 dagen op de takken liggen. De winter van het onderzoek in 1996 was extreem met 16 dagen met meer dan 10 cm sneeuwval. Als de buitenste takken met sneeuw bedekt waren zochten de vogels op de stam en dikke takken, laag bij de grond en in het binnenste van de boom naar voedsel (Figuur 1). Het potentiŽle voedselaanbod daar bestond vrijwel uitsluitend uit zeer kleine springstaarten (gemiddelde lengte slechts 1,7 mm), die wel in hoge dichtheid voorkwamen. Bij afwezigheid van sneeuw (de meer gangbare conditie, zelfs in de winter) waren de vogels vooral in de toppen en aan de buitenkant van de bomen te vinden (Figuur 1), alwaar ze naar voedsel zochten op de naalden en de dennenappels (Figuur 2). De auteur vermoedt dat de vogels daar vooral hennepzaden aten. Niet alleen de plaats waar de vogels naar voedsel zoeken, maar ook de manier waarop ze naar voedsel zoeken, bleek afhankelijk van de sneeuwbedekking. Als er geen sneeuw op de takken ligt gebruiken de dieren foerageermethoden die veel energie kosten. Ze vliegen veel en hangen vaak aan de kegels (Tabel 2). Als er wel sneeuw ligt gaan de dieren over op het energetisch veel voordeliger hippen (Tabel 2). Om een beter idee van de samenhang in de verschillende foerageertechnieken te krijgen werd een principale componenten analyse uitgevoerd (Tabel 3). Daaruit bleek dat sneeuwval vooral effect had op het foerageergedrag en de verplaatsingen binnen een boom, maar niet op de verplaatsingen tussen bomen. De resultaten kunnen goed verklaard worden door de hypothese van Norberg (1977) dat foerageermethoden die veel energie vragen alleen gebruikt zullen worden als de verwachte energiewinst ook hoog is.


[close window] [previous abstract] [next abstract]