Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Kraaijeveld K. (2005) Black Swans Cygnus atratus adopt related cygnets. ARDEA 93 (2): 163-169
In dit onderzoek worden elf gevallen van broedzorg door pleegouders in een Australische populatie Zwarte Zwanen Cygnus atratus bij Lake Wendouree in Ballarat, Centraal-Victoria, Australië (37°33’Z 143°49’O), beschreven. Aan de hand van de allelpatronen in een serie DNA microsatellieten werd de verwantschap tussen het geadopteerde kuiken en de pleegouders bepaald. Geadopteerde kuikens bleken nauwer verwant aan hun pleegouders dan verwacht wanneer de pleegouders een willekeurige greep uit de populatie zouden zijn. Verder bleken kuikens vooral te verhuizen van slechte ouders naar goede ouders. In broedgebieden willen verwante vogels nogal eens in clusters broeden waarbinnen een of meer eieren gedumpt worden in nesten van soortgenoten. Kuikens uit zulke eieren zijn dan nauw verwant aan de nieuwe ouders, zonder dat er sprake is van actieve adoptie. Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat het dumpen van eieren een rol heeft gespeeld in de onderzochte populatie. Ten eerste was het overgrote deel van de kuikens al een aantal dagen oud voordat ze bij een nieuwe familie gesignaleerd werden. Ten tweede waren drie van de vier geīdentificeerde families die een kuiken verloren aan goede paren, zelf slechte vogels. De betere ouders zijn met hun kuikens dominant op de voedselgebieden langs het meer over de minder goede ouders. De slechtere vogels hebben minder toegang tot die favoriete foerageergebieden en zwerven dan ook meer rond, terwijl de betere ouders steeds op dezelfde plaats te vinden zijn. Maar waarom adopteren families met een vaste plek kuikens van zwervende families en niet andersom? Er zijn vijf mogelijke verklaringen: (1) families worden na de adoptie gebiedsvast omdat grotere families een grotere kans hebben om in de goede gebieden te blijven, (2) dominante vogels zijn beter in staat om kuikens in te pikken van andere families, (3) de overlevingskans van een kuiken is groter in dominante families en kuikens lopen om die reden over, (4) ouders laten hun kuikens achter bij dominante families om de overlevingskans van het kuiken te vergroten en (5) kuikens die door minder dominante families worden geadopteerd, overleven slecht en worden daarom niet waargenomen. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of adoptie vooral wordt geīnitieerd door de ouders, de pleegouders of het kuiken zelf. Alle betrokken vogels hebben bij een adoptie mogelijk voordelen bij de overdracht: het kuiken en de echte ouders door een verbeterde overlevingskans van het kuiken, en de pleegouders door verwantschapselectie (de frequentie van hun genotype in de populatie neemt door het selectief bevoordelen van verwante kuikens toe).


[close window] [previous abstract] [next abstract]