Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Deelder C.L. (1949) On the autumn migration of the Scandinavian Chaffinch (Fringilla c. coelebs L.). ARDEA 37 (1-2): 1-88
Zoals ieder wel zal weten, trekken elke herfst grote troepen Vinken over ons land, meer speciaal langs de kuststreken. Reeds van oudsher werd er op deze Vinken jacht gemaakt met behulp van zogenaamde 'vinkenbanen'. In de laatste tijd zijn nog enkele van deze banen in gebruik ten dienste van de wetenschap als ringstations. De vogels worden hier gevangen, geringd en losgelaten nadat soort en geslacht (en soms ook de ouderdom) bepaald zijn. 2) Met behulp van de terugmeldingen der geringde Vinken stelde L. Tinbergen (1941) vast, dat bedoelde Vinken behoren tot de Scandinavische populatie. Deze heeft zijn broedgebied in Noorwegen en Zweden en over' wintert voornamelijk in Engeland en Ierland, maar ook in Scandinavid, Denemarken, NW-Duitsland, Nederland (met uitzondering van het uiterste ZO), W-Belgie en N-Frankrijk. 3) Vergelijking van de gegevens der verschillende ringstations (tabel 2, pag. 13) leert ons, dat er in Nederland elk jaar meer ?? dan ?? passeren en dat de geslachtsverhouding sterk wisselt, niet alleen in de verschillende delen van ons land, maar ook van jaar op jaar. 4) In de literatuur zijn verdere gegevens bekend gemaakt betreffende de geslachtsverhouding in verschillende landen. Het blijkt, dat gedurende de winter in Scandinavid (Kolthoff en Jagerskiold, 1898), Nederland en Z-Engeland (Charteris, 1938; pag. 8) de ?? talrijker zijn dan de ??. Daarentegen is er gedurende die tijd een ??-overschot in Ierland (cf. Yarrell, 1882; Ussher en Warren, 1900 en Patten, 1912). 5) Al deze bekende verschijnselen waren aanleiding om de herfsttrek van de Scandinavische Vink eens nauwkeuriger te bekijken. Hierbij bleek, dat allereerst de eigenaardige geslachtsverhoudingen goed verklaard konden worden en ten tweede, dat een inzicht verkregen kon worden in de gang van zaken tijdens de trek. 6) Bij dit onderzoek is het noodzakelijk om de gegevens betreffende de verschillen in de geslachtelijke verhouding op de juiste waarde te schatten. Hiervoor dienen we de werkelijke geslachtelijke verhouding van de Scandinavische populatie te kennen. Deze kan men te weten komen door tellingen in de zomer, maar deze zijn tot nu toe nooit gemaakt. Voor de Finse en Nederlandse populaties is dit echter wel gebeurd. Palmgren (1933) vond in Finland 15 ?? op 13 ?? en L. Tinbergen (1946) op de Veluwe 114 ?? op 96 ??; het percentage ?? is respectievelijk 54 en 54. Aangezien deze getallen niet verschillen, heb ik aangenomen, dat het percentage ?? van de Scandinavische populatie ook ongeveer 54 bedraagt. 7) Daar er in Scandinavid gedurende de winter, zoals we zagen, opvallend veel meer ?? dan, ?? overblijven zal een verklaring gevonden moeten worden voor het verschijnsel, dat in Nederland en Z-Engeland eveneens in de winter hetzelfde gebeurt. Dit kan op een plausibele manier gebeuren wanneer we bedenken, dat in Ierland juist veel meer ?? dan ?? overwinteren. Ik neem aan, dat de ?? Vinken een grotere trekdrang hebben dan de ?? en dientengevolge een grotere afstand gedurende de trek afleggen. Van de ?? van de Duitse Vinkenpopulatie is een dergelijk verschijnsel bekend(cf. Von Bochmann, 1934; Niethammer, 1937). 8) Met behulp van dit gegeven kunnen we een volgend probleem oplossen. Het is namelijk opmerkelijk, dat er in Nederland gedurende de herfst meer ?? dan ?? passeren, niettegenstaande er in Scandinavid meer ?? dan ?? achterblijven. Ik meen hiervoor de volgende verklaring gevonden te hebben: De Scandinavische Vinken vliegen tijdens de trek in een zogenaamd 'breed front' (Geyr von Schweppenburg, 1933) in een WZW richting. Het kan niet anders of er arriveren op de Westkusten van Scandinavie en Denemarken, van Sleeswijk-Holstein en die van Nederland en Belgid geregeld troepen Vinken. Nu hebben van Dobben en Makkink (1934) indertijd het gedrag van Vinken nagegaan wanneer deze bij een kust komen. Enige van hen vliegen door in die richting waarin ze reeds vlogen; de meesten buigen echter bij de kust om en gaan verder in die richting, die relatief het minst afwijkt van hun oorspronkelijke trekrichting. Hierdoor wordt de welbekende geconcentreerde trek langs de kust gevormd, welke - naar aangenomen werd - eerst bij kustbochten geneigd is het land te verlaten. Dit verschijnsel werd verklaard uit de afkeer, die de Vinken hebben van het overvliegen van een wateroppervlakte. Nu veronderstel ik, dat de ?? zich minder door het water laten stuwen dan de ??, en wel tengevolge van hun grotere trekdrang. Bij de Noordzeekust zou dus een gedeeltelijke scheiding optreden tussen de twee geslachten: een breedfronttrek van voornamelijk ?? over de zee en een smalle geconcentreerde trek van voornamelijk ?? langs de kust. 9) Deze verklaring wordt allereerst gesteund door de mededeling van Drost (1940), dat gewoonlijk meer ??dan ?? op Helgoland arriveren. Bovendien wordt een indirect bewijs gevormd door de vangsten van de vinkenbanen in Monster, Ockenburg en Wassenaar. Op deze banen kon vanaf 1933 een continue serie van vangstgegevens verkregen worden. Het bleek, dat er in deze periode vier jaren met abnormaal sterke trek voorkwamen, namelijk 1934, 1935, 1938 en 1942 (tabel 3, pag. 26). Deze jaren waren gekenmerkt door een naar verhouding gering ??-overschot. Dit is te begrijpen. We kunnen immers aannemen, dat een sterke trek langs de kust samengaat met een zwakke trek over zee. Er zullen dan dus naar verhouding meer ?? over land trekken dan anders het geval is, zodat hierdoor een kleiner ??-percentage veroorzaakt wordt. Daarentegen zullen jaren met abnormaal zwakke trek over land - dus sterke trek over zee - gekenmerkt moeten worden door een groot ??-overschot. Dit is inderdaad het geval (1939, 1940, 1941, 1944 en 1946). Ten derde werd nog een direct bewijs verkregen door op een dag met zeetrek de geslachtsverhouding te bepalen van de vogels, die niet zee kozen maar de kust bleven volgen. Er waren hier naar verhouding meer ?? aanwezig dan in de troepen, die - komende vanuit het binnenland - de kust nog moesten bereiken. Het percentage ?? was respectievelijk 78 en 581, 5. Bovendien steunen de gegevens van de andere vinkenbanen ook de bovengenoemde hypothese. 10) Zoals reeds werd gezegd, werden soms ook op de vinkenbanen de aantallen eerstejaars vogels en oudere vogels bepaald. Voor de Vinken gebeurde dit bijv. te Monster vanaf 1940 tot nu toe. Bewerking van de verkregen getallen leert ons, dat oude ?? en oude ?? de grootste tegenstelling vormen wat de sterkte van trekdrang en hun angst voor water betreft. De jonge vogels daarentegen gedragen zich intermediair. Deze conclusie wordt vooral gesteund door de afwijkende getallen van 1942, toen tijdens de zeer sterke trek vooral het percentage oude ?? belangrijk gestegen bleek (tabel 5, pag. 31). Bet lukte ons niet om de cijfers omtrent de leeftijdsverhouding, die Drost voor Helgoland over het jaar 1939 publiceerde (1940) ondubbelzinnig te verklaren. 11) Bij het onder 9) besprokene werd medegedeeld, dat de treksterkte van jaar tot jaar kan varidren. Dit werd ook nader onderzocht. De Nederlandse Vinkers wisten reeds lang, dat seizoenen met veel Oen NO winden - zogenaamde 'hoge winden' - gekenmerkt worden door een zwakke Vinkentrek. In tabel 3, pag. 26, komt dit verschijnsel duidelijk tot uiting. Hier worden windrozen van de maanden oktober, zoals het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut te De Bilt die geeft, vergeleken met de vangsten van Monster, Ockenburg en Wassenaar in verschillende jaren. Bovendien blijkt hieruit, dat veel ZW winden een sterke geconcentreerde trek langs de+ kust veroorzaken. Ik veronderstel, dat bij winden uit het NO de weeromstandigheden gunstig zijn voor een massale breedfronttrek overzee, waardoor dus de geconcentreerde trek sterk verminderd zou worden. Vermoedelijk wordt deze conclusie gesteund door verschillende waarnemers. (cf. Hinxmann, 1894; Morris, 1895 en Eagle Clarke, 1912), die mededelen, dat bij ZO vinden een sterke trek van Vinken op de Schotse eilanden waargenomen kan worden 1). De mogelijkheid blijft echter, dat onder deze omstandigheden de Vinken naar verhouding meer op de eilanden arriveren tengevolge van afdrijving door de wind. Palmer (1897) deelt echter mee, dat er bij de genoemde weersomstandigheden grote troepen vogels - waaronder Vinken - in Ierland aankomen, terwijl in Holland de trek dan vrijwel stilstaat. Bovendien beschrijft Drost (1940) eenzelfde verschijnsel voor Helgoland bij O-winden. 1) O en NO winden in Holland zijn vaak het gevolg van hoge luchtdruk boven Scandinavie, die ook O-winden in. ZW-Scandinavid en ZO winden op de Schotse eilanden veroorzaakt. Om nu meer gegevens te verkrijgen, die de verhouding tussen wind- en trekrichting zouden verduidelijken, deed ik met de hulp van medewerkets talrijke waarnemingen in 1945, 1946 en 1947. Het doel was om na te gaan, of winden uit het NO werkelijk een massale breedfronttrek over zee tengevolge hebben, daarentegen winden uit het ZW een geconcentreerde trek langs de kust veroorzaken. Behalve dit, wilden wij weten of tussen deze twee uitersten zowel een geconcentreerde trek langs de kust als een breedfronttrek over zee zouden lopen, en of in dit geval vooral veel ??over zee zouden vliegen. Daar er met winden uit het NW praktisch geen trek is, moest er dus vooral op dagen met winden uit het ZO geobserveerd worden. Tijdens de waarnemingen konden - behalve een keer - geen geslachten van de trekkende Vinken. bepaald worden. Voor het overige werden alle veronderstellingen bevestigend beantwoord. Dat wil dus zeggen: Normaliter loopt er een geconcentreerde trek langs de kust en een breedfronttrek over zee. Dit komt doordat troepjes Vinken - waarin n in de meerderheid zijn - zich telkens losmaken van de geconcentreerde trek om over zee te vliegen. Hierdoor neemt tevens het percentage ?? in de geconcentreerde trek naar het Zuiden toe. Bij winden uit het NO kwadrant zijn de weeromstandigheden dermate gunstig, dat zeer vele Vinken gestimuleerd worden om de zee over te vliegen. De meeste ?? en bovendien veel ?? doen hieraan mee. Het gevolg is een zwakke geconcentreerde trek langs de kust met een hoog ??-percentage. Bij winden uit het ZW kwadraat wordt de zeewaartse trek onderdrukt. Hierdoor ontstaat een sterke geconcentreerde trek met een hoog ??en dus laag ??-percentage. . 13) Tijdens onze waarnemingen kwamen bovendien nog enige andere interessante verschijnselen aan het licht, welke hier even behandeld zullen worden. Allereerst zij hier vermeld, dat de kustrichting waarlangs de Vinken trekken een grote invloed uitoefent op het gedrag der vogels. Wij wisten reeds - o.a. uit de publicatie van Van Dobben en Makkink (1934) - dat de Vinken des te meer geneigd zijn de kust los te laten en overzee te gaan vliegen naarmate de kustrichting sterker afwijkt van de trekrichting. Tijderts onze waarnemingen werd het ons duidelijk, dat zelfs een kleine draaiing van de kust de Vinken er toe kan brengen massaal in zee te steken.. 14) Duidelijk bleek bovendien, dat de Vinkentrek bij NO winden niet onder alle omstandigheden behoorlijk kan worden waargenomen, tengevolge van de grote hoogte waarop de Vinken dan vliegen. Gewoonlijk bedraagt deze hoogte onder. genoemde. omstandigheden vele honderden meters wanneer de Vinken de kust passeren. Naar mijn mening is het o.a. hieraan te wijten, dat deze trek opeen enkele uitzondering na (Kramer, 1931) nooit eerder is waargenomen. 15) Het werd een nieuw punt van onderzoek om de oorzaak van deze zeer grote vlieghoogte op te sporen. Uit de publicatie van Deelder en Tinbergen (1947) zijn de factorenbekend, die de hoogte van trekkende 1949J 87 Vinken bennvloeden. Het blijkt, dat vooral de windrichting en -kracht een grote rol spelen, alsook de aard van het terrein, dat overvlogen wordt. Dit. laatste bleek ons ook herhaalde malen. Gedurende onze waarnemingen zagen wij namelijk, dat de Vinken een aanzienlijk eind stijgen vlak voor het in zee steken. Dit werd vooral waargenomen wanneer er langs de kust een geconcentreerde trek liep, waaruit Vinken zich afsplitsten. Het lag nu voor de hand om aan te nemen, dat hetzelfde plaats vindt bij een ongestuwde breedfronttrek over zee, dat is dus voornamelijk bij wind uit het NO kwadrant. om het bewijs hiervoor te leveren werden er speciale waarnemingen door twee personen tegelijk verricht, een aan de kust en een op enkele kilometers afstand in de bossen. Het bleek nu inderdaad duidelijk, dat Vinken, die boven de bossen laag vliegen reeds boven landbelangrijk stijgen wanneer zij de zee over willen gaan. Uit een en ander komen wij tot de conclusie, dat de vlieghoogte van Vinken ook sterk bennvloed wordt door het al of niet van plan zijn om de zee over te steken. 16) Welke factoren op hun beurt nu de beslissing van het al of niet zeekiezen bennvloeden, is niet bekend. Waarschijnlijk is het niet alleen de windrichting, die een rol speelt. In dit geval zal het namelijk onbegrijpelijk zijn, dat winden uit het NO kwadrant een zoveel sterkere trek over zee veroorzaken dan winden uit het ZO kwadrant; beiden komen immers voor een WZW vliegende Vink schuin van achteren. Misschien zijn er enkele weersomstandigheden, die de trekdrang stimuleren, zodat een grote stimulatie een sterke trek over zee tengevolge heeft; daarentegen een kleine stimulatie een zwakke trek, namelijk uitsluitend van die dieren, wier inwendige trekdrang reeds groot is (??). Maar tot nu toe kan geen bewijs voor deze veronderstelling gegeven worden.


[close window] [previous abstract] [next abstract]