Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Tal T., Jansen D., Jansen E., Green A.W., Hoekstra E., Heetkamp M, T’jollyn F., Engelen D., Hoekstra B., Kaasiku T. & Vansteelant W.M.G. (2025) Full-season spring migration counts reveal seasonal contrasts in raptor migration through the eastern Black Sea flyway. ARDEA 113 (2): 11-11
De mate waarin trekvogels gebruikmaken van specifieke trekroutes, hangt voor een belangrijk deel af van geografische obstakels die ze tegenkomen, zoals grote wateren en gebergtes. Ook het jaargetijde en de trekrichting spelen daarbij een rol. Nabij Batumi, Georgië, vormen de oostelijke Zwarte Zeekust en de Kleine Kaukasus, een 10–20 km brede trechter waar ieder najaar ruim één miljoen roofvogels doorheen trekken. Hoewel deze obstakels in het voorjaar minder prominent lijken, wijzen historische waarnemingen erop dat ook dan vele duizenden roofvogels het gebied passeren. Om inzicht te krijgen in de samenstelling en aantallen van die voorjaarstrek voerden wij in 2019, 2020 en 2022 systematische, seizoensdekkende tellingen uit. In totaal werden 33 roofvogelsoorten geregistreerd, met gemiddeld 542.161 individuen per voorjaar (spreiding: 455.799–618.848). De meest talrijke soorten waren Zwarte Wouw Milvus migrans (239.649 ± 22.547) en Steppebuizerd Buteo buteo vulpinus (194.029 ± 102.702). De hoogste intensiteit van trek vond voor de meeste soorten plaats van eind maart tot half april, gebaseerd op de doortrekmediaan van 12 van de 15 meest algemene soorten (>100 individuen/jaar). Soorten met een langere trekperiode in het najaar vertoonden ook een relatief langere trekperiode in het voorjaar. Voor de meeste soorten was de totale trekperiode in het voorjaar echter langer, vermoedelijk door leeftijdsafhankelijke migratiestrategieën binnen de soorten. Voor de meeste soorten waren de totale aantallen in het voorjaar kleiner dan in het najaar, vermoedelijk door een zwakker effect van geografische obstakels. Vooral laat doortrekkende soorten waren in het voorjaar minder talrijk, mogelijk door veranderende weerspatronen later in het voorjaar, waardoor vogels minder naar de kust worden gedrukt. Desalniettemin tonen onze resultaten aan dat de oostelijke Zwarte Zeekust een belangrijke schakel vormt tijdens de voorjaarstrek langs de oostelijke Afrikaans–Euraziatische trekroute van meerdere Palearctische roofvogelsoorten. Daarnaast biedt ons onderzoek een belangrijke basis voor het monitoren van veranderingen in trekpatronen en voor het ontwikkelen van beschermings- en onderzoeksactiviteiten in de Batumi regio gedurende het voorjaar.


[close window] [previous abstract] [next abstract]