Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Spaans B., vanít Hoff C.A., van der Veer W. & Ebbinge B.S. (2007) The significance of female body stores for egg laying and incubation in Dark-bellied Brent Geese Branta bernicla bernicla. ARDEA 95 (1): 3-15
In het Noord-Siberische broedgebied van de Zwartbuikrotgans Branta bernicla bernicla is onderzocht in hoeverre de vrouwtjes tijdens de voortplantingsperiode afhankelijk zijn van de 'ingevlogen' reserves. De hoeveelheid meegebrachte reserves werd geschat door zo snel mogelijk na aankomst in het broedgebied rotganzen te vangen en te wegen. Gemiddeld wogen de vrouwtjes 1464 g bij aankomst. In vier jaren werden weegschalen onder rotgansnesten ingegraven. Via een computer werden gewichtsverloop en verblijfstijd op het nest automatisch geregistreerd. Het gemiddelde gewicht aan het begin van het broeden was 1269 g, bij het uitkomen van de eieren 1066 g. Aangenomen wordt dat bij 1066 g de reserves vrijwel geheel opgebruikt zijn. De helft van de ingevlogen reserves werd besteed in de tijd tussen aankomst en het begin van het broeden aan het leggen van de eieren. De andere helft diende als energiebron tijdens het broeden. Dit bleek echter onvoldoende om non-stop te broeden, zoals een aantal grotere ganzen doen. Alle vrouwtjes verlieten daarom geregeld het nest om bij te eten. Gedurende de eerste 21 dagen van de broedperiode verlieten ze gemiddeld 13,1 keer (in totaal 198 minuten) per etmaal het nest. Tijdens de eetpauzes bestaat het risico dat er een of meer eieren uit het nest gestolen worden door meeuwen. Dit gebeurde in 40% van de rotgansnesten. De kans dat het gehele legsel de broedtijd overleefde, werd voor de vrouwtjes die relatief vaak van het nest gingen (en dus minder op hun reserves teerden), geschat op 50% en voor de vrouwtjes die weinig van het nest gingen (meer op hun reserves teerden) op 90%. Tijdens de laatste drie dagen van het broeden gingen de ganzen minder vaak van het nest dan ervoor of zelfs helemaal niet meer. Met behulp van een aantal aannames over de kosten van het broeden en de energetische waarde van de reserves werd geschat dat de voedselopname tijdens de eetpauzes minimaal 51 kJ per uur zou moeten zijn. Dit is wat lager dan de opnamesnelheid tijdens het opvetten in het waddengebied. Uitgedrukt in energie werd geschat dat ongeveer 52% van de energiebehoefte tijdens het broeden afkomstig was van de reserves en de rest bijgegeten moest worden.


[close window] [previous abstract] [next abstract]