Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Sangster G., Hazevoet C.J., Van Den Berg A.B., Kees-Roselaar C.S. & Sluys R. (1999) Dutch avifaunal list: Species concepts, taxonomic instability, and taxonomic changes in 1977-1998. ARDEA 87 (1): 139-165
De Commissie Systematiek Nederlandse Avifauna (CSNA), een adviserende commissie van de Nederlandse Ornithologische Unie (NOU) en de Dutch Birding Association (DBA), heeft zich gebogen over internationale systematisch-biologische studies die betrekking hebben op vogelsoorten die ook op de Nederlandse lijst voorkomen. Op grond van deze gepubliceerde studies en de evaluatie ervan heeft de CSNA een aantal besluiten genomen ten aanzien van door haar noodzakelijk geachte taxonomische en nomenclatorische wijzigingen. Dit artikel bevat een samenvatting van de genomen besluiten en de eraan ten grondslag liggende argumenten. Een belangrijk deel van de taxonomische veranderingen betreft de soortstatus van bepaalde taxa, die vroeger veelal de status van ondersoort hadden. Dit is een resultaat van een verandering in de wetenschappelijke inzichten in het soortbegrip. Traditioneel wordt er in de ornithologie gebruikgemaakt van het isolatiesoortbegrip, ook wel genoemd het biologische soortbegrip. Dit soortbegrip stelt dat het belangrijkste criterium bij het onderscheiden van soorten de kruisbaarheid betreft: als individuen uit twee verschillende populaties met elkaar kunnen kruisen, dan behoren zij tot dezelfde soort. Het is echter allang bekend, dat er problemen aan dit, op het eerste gezicht zo logisch lijkende, isolatiesoortbegrip kleven. Zo blijkt het in de natuur nogal eens voor te komen dat individuen uit twee groepen wel met elkaar kunnen kruisen, terwijl zij niet elkaars nauwste verwanten zijn (in de zin van bloedverwantschap, genealogie, afstamming). Daarnaast gaat het isolatiesoortbegrip er bij het afbakenen van soorten vanuit dat deze soorten in de toekomst reproductief van elkaar ge´soleerd zullen blijven en niet tot een populatie zullen fuseren. Dit betekent, dat in feite toekomstige gebeurtenissen uitsluitsel moeten geven of we huidige groepen als aparte soorten of slechts als populaties van een soort moeten beschouwen. Tenslotte heeft praktische toepassing van het isolatiesoortbegrip geleid tot het onderscheiden van samengestelde, politypische soorten. Hoewel bepaalde populaties wel degelijk onderscheidbaar zijn, worden zij toch tot slechts een soort gerekend (omdat de onderlinge verschillen als te gering worden beoordeeld); deze handelswijze resulteert in een onderwaardering van de feitelijke biodiversiteit. Bovengenoemde en andere problemen met het isolatiesoortbegrip hebben veel biologen ertoe aangezet om te trachten soorten op een andere manier af te bakenen. En zo zijn er in de loop van de tijd vele alternatieve soortbegrippen geformuleerd. De CSNA acht het zogenaamde fylogenetische soortbegrip van groot belang voor avifaunistische lijsten, de systematische biologie en biodiversiteitstudies in het algemeen. Het fylogenetische soortbegrip is een uitvloeisel van een wetenschappelijke revolutie in een iets eerdere periode van de systematische biologie. Als gevolg hiervan heeft nu alom het idee postgevat dat kennis van en inzicht in de afstammings- of fylogenetische relaties tussen groepen van doorslaggevend belang is in het vakgebied van de systematische biologie en de evolutiebiologie. Dit heeft als consequentie dat van een modem soortbegrip verwacht mag worden dat het in overeenstemming is met de fylogenetische relaties tussen de onderscheiden eenheden. Soortbegrippen, zoals het isolatiesoortbegrip, die groepen van individuen bij elkaar zetten die niet elkaars nauwste verwanten zijn, geven dientengevolge een vertekend beeld van de evolutionaire geschiedenis. Fylogenetische soortbegrippen voldoen in dit opzicht beter. Er zijn twee typen van fylogenetische soortbegrippen, te weten de monofylieversie en de diagnostische versie. De monofylieversie van het fylogenetische soortbegrip eist dat elke soort gekenmerkt wordt door minimaal een uniek kenmerk dat niet bij andere soorten voorkomt. De diagnostische versie is wat minder strikt en eist slechts dat een soort gekarakteriseerd wordt door een unieke combinatie van kenmerken; d.w.z. de afzonderlijke kenmerken mogen wel bij andere soorten voorkomen, maar hun combinatie moet uniek zijn. De CSNA heeft de diagnostische versie van het fylogenetische soortbegrip gehanteerd bij het samenstellen van deze rapportage. Een tweede aspect van de avifaunistiek en de taxonomie dat door de CSNA aan een nadere beschouwing is onderworpen, betreft het groeperen van soorten in hogere eenheden, zoals geslachten en families, en de indeling van de lijst (dat wil zeggen welke groepen staan bovenaan en welke onderaan de lijst). Ook deze zaken dienen, naar huidige inzichten, een afgeleide te zijn van de historische, fylogenetische relaties tussen de onderscheiden groepen. Twee voorbeelden uit de huidige lijst kunnen dit duidelijk maken. Fylogenetische studies hebben aangetoond dat de Grote Zilverreiger niet nauw verwant is aan de andere zilverreigers. Dat betekent dat we de Grote Zilverreiger niet in hetzelfde geslacht (Egretta) kunnen handhaven als de andere zilverreigers en zij in een ander geslacht (Casmerodius) wordt geplaatst. Veel studies hebben aangetoond dat de eendachtigen (Anseriformes) en hoenderachtigen (Galliformes) elkaars nauwste verwanten zijn. Daarom kunnen we deze twee in een groep van hogere orde plaatsen, de Galloanserae. De eerder genoemde revolutionaire ontwikkeling binnen de systematische biologie en de evolutiebiologie, en de moderne opvatting dat de nieuwe inzichten en resultaten hun reflectie dienen te hebben op de bestaande taxonomische systemen, hebben directe praktische consequenties. Het betekent dat de oude taxonomische systemen en avifaunistische lijsten gaan veranderen. Er is wel beargumenteerd dat een groot voordeel van de oude systemen en lijsten is dat ze stabiel zijn: hun onveranderlijkheid geeft houvast bij het opzoeken van informatie. Het is echter een feit dat deze stabiliteit, zo niet starheid, tot gevolg heeft dat de oude avifaunistische en taxonomische lijsten geen afspiegeling meer vormen van verkregen wetenschappelijke inzichten en hun relatie met de huidige stand van de systematische biologie en de evolutiebiologie deels hebben verloren. Als dergelijke lijsten geen afspiegeling meer vormen van moderne inzichten in de fylogenie en taxonomie van vogels, dan rijst onmiddellijk de vraag wat die lijsten en systemen dan wel vertegenwoordigen. Het klassieke antwoord dat zij ingeburgerde en gemakkelijke zoeksystemen vertegenwoordigen, is wetenschappelijk gezien niet acceptabel. Als wetenschappelijke onderbouwing niet meer van belang wordt geacht, dan zijn er praktischere zoeksystemen denkbaar, bijvoorbeeld alfabetische lijsten. Daarom is de CSNA van mening dat taxonomische systemen geregeld dienen te worden aangepast om zo een afspiegeling te zijn van de meest moderne hypothesen over de fylogenetische relaties tussen groepen van vogels. Het is evident, dat bij een voortschrijdende wetenschap ook taxonomische systemen en lijsten niet stil kunnen blijven staan en altijd aan verandering onderhevig zullen zijn.


[close window] [previous abstract] [next abstract]