Ardea
Official journal of the Netherlands Ornithologists' Union

login


[close window] [previous abstract] [next abstract]

Altenburg J.F., van den Brink B., Boudewijn T.J., Drop J., van Muiswinkel J.M. & van Horssen P. (2022) Long-term trends in laying date and fledged young of Barn Swallow Hirundo rustica in two regions of The Netherlands. ARDEA 110 (3): 3-3
De Boerenzwaluw Hirundo rustica is een algemene broedvogel in Nederland. De West-Europese broedpopulatie overwintert in de westelijke delen van Centraal en Zuidelijk Afrika. Vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw is de Nederlandse broedpopulatie met 50–74% afgenomen. Sinds het midden van de jaren negentig vertoont de landelijke trend een lichte, maar constante stijging. In Europa is de afnemende trend in het laatste decennium veranderd in een stabiele. Sinds het begin van de jaren negentig houden Nederlandse vrijwilligers (ringers) jaarlijks de lotgevallen van boerenzwaluwlegsels bij. Voor de regio’s Noord-Veluwe, Twente en Betuwe is een dataset beschikbaar van 27 jaar (1992–2018). We analyseerden of de veranderende West-Europese weersomstandigheden in voorjaar en zomer effect hebben gehad op het legbegin. We hebben tevens bekeken of de ontwikkeling kon worden gerelateerd aan grootschalige dan wel lokale weergegevens. Ook werd onderzocht of het aantal uitgevlogen jongen per succesvolle broedpoging tijdens de onderzoeksperiode is veranderd en of er correlaties met weervariabelen konden worden gelegd. Tijdens het controleren van de data bleek dat in de Betuwe de eerste bezoekronde in de onderzoeksjaren 1993–1998 pas ná de mediane legdatum werd afgelegd. Hierdoor zijn legsels die in een vroeg stadium zijn mislukt, niet geregistreerd en verschoof het legbegin systematisch naar een later moment in het seizoen. Dat is een onwenselijk methodologisch effect; de data uit de Betuwe zijn om die reden uitgesloten van verdere analyse. Na controle bleven er totaal 7367 records over voor de regio’s Noord-Veluwe en Twente. Het legbegin van het eerste legsel vervroegde in de onderzoeksperiode gemiddeld met 2,3 dagen per tien jaren. Deze vervroeging komt overeen met die van soortgelijke studies elders in Europa. We onderzochten correlaties van het legbegin met weervariabelen op continentale en lokale schaal. Het jaareffect bleek echter de meest verklarende factor voor het legbegin. Dit zou een indicatie kunnen zijn dat het jaarlijkse legbegin vooral wordt gestuurd door processen buiten West-Europa: in de overwinteringsgebieden en/of tijdens de trek. De vervroeging van het tweede legsel bedroeg gemiddeld 2,9 dagen per tien jaren. Deze hogere waarde wordt vermoedelijk veroorzaakt door de grotere kans dat een ‘vroeg gestart’ paar succesvol een tweede legsel produceert. Hoe later een paar het eerste legsel start, des te kleiner is de kans dat het nog een tweede broedpoging doet. Het aantal uitgevlogen jongen per succesvolle broedpoging kende een aanzienlijke variatie tussen jaren. De trend was stabiel over de hele onderzoeksperiode. Andere Europese studies vonden over de jaren een lichte afname van het broedsucces. Het broedsucces van Twente en Noord-Veluwe verschilde van elkaar. Hierbij kunnen veel factoren een rol spelen, zoals de populatiestructuur (leeftijdsopbouw), kwaliteit van de individuen, kwaliteit van de broedlocatie en het omliggende foerageergebied, evenals interacties tussen deze factoren. Het verschil in het aantal uitgevlogen jongen tussen het eerste en tweede legsel bleef gemiddeld genomen constant (– 0,6 jong). Dit komt overeen met buitenlandse onderzoeken en wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de afnemende legselgrootte in de loop van het broedseizoen. Deze studie laat zien dat ‘citizen science’ projecten in staat zijn om lange tijdreeksen met broedbiologische gegevens te verzamelen. Voor het monitoren van mogelijke effecten van klimaatverandering is dit van grote waarde. Om deze effecten nauwkeuriger te kunnen analyseren verdient het aanbeveling om de gegevens te baseren op individueel herkenbare (gekleurringde) vogels. Periodieke controle van de verzamelde gegevens en terugkoppeling aan de vrijwilligers zijn belangrijke aandachtspunten om de datakwaliteit te garanderen.


[close window] [previous abstract] [next abstract]